Distichiasis


Bij een aantal IJslandse Honden is Distichiasis geconstateerd. Deze oogaandoening kan worden ontdekt bij het ECVO oogonderzoek. Honden met Distichiasis (en andere erfelijke oogaandoeningen) zijn uitgesloten van de fok. Hieronder vindt u een uitleg.

Bij Distichiasis zijn er enkele haren, meerdere haren of een rij haren op de boven- en/of onderooglidrand aanwezig. Op een normale ooglidrand van de hond zijn geen haren aanwezig.

Er kunnen 2 verschillende soorten haren voorkomen:

  • Zachte haren, deze veroorzaken over het algemeen geen letsel omdat ze in de traanfilm liggen.
  • Harde haren, deze geven een verhoogde traanproductie en knijpen met de ogen. Deze haren kunnen het hoornvlies irriteren of zelfs beschadigen. De verhoogde traanproductie kan traanstreepvorming tot gevolg hebben.

normaaloog

Normale ooglidrand, haren behoren tot de vacht

Distichiasis

Ooglidrand met Distichiasis, oranje gemarkeerd


De haren zijn zonder loep slecht zichtbaar. Om deze haren op te sporen wordt een spleetlampmicroscoop gebruikt. Het slijmpropje dat zich vaak rond de basis van de haar op de lidrand bevindt, is meestal wel goed zichtbaar. Na verwijdering van het slijm, wordt de haar zichtbaar.

Distichiasis wordt als erfelijke aandoening beschouwd, maar de wijze van vererving is nog niet geheel duidelijk (dominant of recessief).

De meest simpele therapie bestaat uit het regelmatig epileren van de haren. Na 3-4 weken komen de haren terug, vaak dikker en stijver dan de oorspronkelijke. Deze methode kan bij alle goed hanteerbare dieren worden toegepast, vaak ook door de eigenaar. Definitieve verwijdering wordt alleen verkregen door chirurgisch ingrijpen, altijd onder volledige narcose. Dit kan door electrolyse, door middel van een fijn draadje wordt de haarwortel vernietigd, of door cryo (bevriesmethode). Het probleem kan zich later nog herhalen op andere plaatsen waar op dat moment nog geen haartjes zichtbaar waren. Na de operatie zal geen of vrijwel geen littekenvorming optreden.

Dat distichiën spontaan verdwijnen is onaannemelijk. Als bij een volgend onderzoek geen distichiën worden gevonden, mag worden aangenomen dat de haar net wordt ‘gewisseld’, is geëpileerd of operatief is verwijderd.

De prognose is in het algemeen gunstig. Wel kunnen haarzakjes worden overgeslagen of onzichtbaar zijn bij de eerste behandeling omdat de haar is uitgevallen en de nieuwe haar nog niet is uitgegroeid. Daardoor kunnen de haartjes later weer uitgroeien.

Aangeraden wordt, als er maar een beperkt aantal dieren met deze afwijking is, om ze niet voor de fok te gebruiken.


Bronnen met toestemming:
Afd. GGW van de Raad van Beheer
Dr. Gerlinde Janssens, Certificate Veterinary Ophthalmology, België (www.oog-dierenarts.be)
Dr. F.C. Stades, Wageningen

Reageren is niet mogelijk